- stack
- n. stapel; (in computers) wachtrij, opslagplaats, een deel van het geheugen waar informatie wordt bewaard en waaruit deze in omgekeerde volgorde kan worden opgevraagd; boekenplank; schoorsteen--------v. opstapelen, op een hoop leggenstack1[ stæk] 〈zelfstandig naamwoord〉1 (hooi/hout)mijt ⇒ (hooi)opper/berg2 stapel ⇒ hoop3 schoorsteen4 〈voornamelijk meervoud〉boekenrek(ken) ⇒ depot, (boeken)magazijn 〈in bibliotheek〉5 〈luchtvaart〉wachtende groep vliegtuigen 〈voor landing〉 ⇒ wachtruimte6 〈computer〉stapelgeheugen♦voorbeelden:2 stacks of money • bergen geld¶ 〈voornamelijk Amerikaans-Engels; informeel〉 blow one's stack • uit zijn vel springen van woede————————stack2I 〈onovergankelijk werkwoord〉1 stapelbaar zijnII 〈overgankelijk werkwoord〉1 (op)stapelen ⇒ op een hoop leggen2 arrangeren3 op verschillende hoogten laten rondvliegen 〈vliegtuigen, voor landing〉4 volstapelen♦voorbeelden:1 stack arms • geweren aan rotten zetten2 stack the cards • de kaarten vals schikken
English-Dutch dictionary. 2013.